Al Stewart

Home

Biografie

Concertagenda

Discografie

Forum

Recensies

Persberichten


























Biografie Al Stewart door Paul Evers, Muziekkrant Oor 1978


The Early Years

Al Stewart wordt in Glasgow geboren en begint op dertienjarige leeftijd met het spelen van gitaar. Op het Wycliff College, een kleine openbare school in Gloucestershire bestudeert hij Duane Eddy en Lonnie Donegan een stuk beter dan zijn huiswerk. "Uiteindelijk kwamen de school en ik tot een bevredigende overeenstemming: ik zou weggaan, voornamelijk omdat ik er niets meer aan deed en omdat ik concerten gaf. Ik was 16 en had toen 4 à 5 maanden een baantje, wat 'n ellende was. Eigenlijk heb ik daarna nooit echt gewerkt."

Hij verhuist naar Bournemouth en pikt de Britse r&b scene rond '64-'65 op: Animals, Kinks, Pretty Things, Stones, John Mayall, Graham Bond. En Dylan: "die overtuigde me ervan dat je een intelligente tekst kon zingen, wat een hele ontdekking was." Begin '65 verhuist een behoorlijk met electrische r&b beïnvloede Al Stewart naar Londen, maar verruilt opnieuw onder invloed van Dylan, zijn electrische gitaar voor een acoustische. De folk-scene in Londen ondergaat op dat moment net een welkome opleving.

Soho

Stewart krijgt een contract in de "Bunjie's" folk-club en speelt er 2 1/2 jaar lang iedere vrijdagavond. De plek echter waar het allemaal gaat gebeuren is de "Les Cousins" club: Davy Graham, Bert Jansch, John Renbourn, Paul Simon, Sandy Denny, Bridget St. John, Van Morrison, Roy Harper, Jimmy Hendrix, Cat Stevens, die dan gewoon nog Steve Adams heet.

In de "Bunjie's"-tijd leert Stewart iedere belangrijke folk-zanger kennen, zingt nummers van Jansch tot Simon en begint serieus met het schrijven van eigen songs. "Ik wilde vroeger altijd meer schrijven dan "hey baby with the red dress on ..." maar ik werkte in een vacuum. Toen ik naar Londen kwam, gebeurden er drie dingen: in april zag ik Bert Jansch optreden en ontdekte toen een stijl van gitaarspelen die ik nog nooit gezien of gehoord had. Verder ontmoette ik Paul Simon en maakte van nabij mee hoe hij zijn songs schreef en tenslotte het belangrijkste van alles: ik zag Dylan een twee uur durend concert geven in de Royal Albert Hall. Ik voelde toen dat dát de geboorte van iets gigantisch, iets revolutionairs was. En daar wilde ik deel van uitmaken."

Hij woont in één huis met Paul Simon, Art Garfunkel, Jackson C. Franks en Sandy Denny en plukt de vruchten van een bloeiende folk-scene. "Who killed Tommy McGeechie", "Pretty Golden Hair", het zijn z'n eerste eigen songs die hij op 19 jarige leeftijd schrijft. "Het meeste van het materiaal uit die tijd stond sterk onder invloed van de protestbeweging. Heel idealistisch, met getrokken zwaarden voorwaarts, oprukkend tegen het sociale onrecht en zo. Achteraf gezien erg puberaal en ontzettend slecht geschreven. De enige songs die 't echt deden, waren de songs die veel van mezelf in zich hadden." In '66 zet Stewart, als voorloper van een album, zijn eerste schreven in vinylland en maakt de single "The Elf", gebaseerd op Tolkien's "In de Ban van de Ring". Hij is er kort over: "Er zijn 496 stuks van verkocht en dat zijn er 496 te veel." (Een aardige bijkomstigheid: de eerste gitaristische bijdrage van Jimmy Page.).

Royal Albert Hall?

Dan ontmoet hij Roy Guest, een naam die Stewart u nog één verzuchting ontlokt: "een ramp". Guest is manager van een folk/rock groep, The Picadilly Line en Al is bevriend met hen, dus ontmoeten beiden elkaar. Platenfirma CBS zoekt, als tegenhanger van het Amerikaanse succes van The Byrds en Simon & Garfunkel, een paar Britse folk-rock acts en contracteert The Picadilly Line, inclusief Stewart. Guest zorgt ervoor dat beiden apart een album kunnen maken en begin '68 is Al's eerste album een feit: "Bedsitter Images". Een plaat vol pathos, sentiment, romantiek en onzinnige teksten. Grootste schuldige: producer Roy Guest, die Stewart's songs onderdompelt in een overdadig orchestratie-bad. "Het was zijn idee om een orkest te gebruiken. Hij was een enorme Judy Collins-freak en zij had net "In My Life" gemaakt en dát was 't voor hem: folk puls orkest. Al ik die plaat drie maanden eerder of later had gemaakt, was-ie heel anders geworden." Met uitzondering van "Swiss Cottage Manoeuvres", "Clifton in the Rain' en het instrumentale "Denise at 16" (wat een vaste prik zal worden op een aantal van z'n volgende Albums), lijkt de plaat meer op een album van het Londens Symphony Orkest, met Al Stewart ergens op de achtergrond. De plaat zal in 1970 opnieuw uitgebracht worden, gere-mixed om Al's stem meer naar voren te halen, in een nieuwe hoes en met een paar andere songs. Er worden een kleine 3000 exemplaren van verkocht. CBS is nog twijfelachtig over een eventuele opvolger en Stewart zelf is er uiterst ontevreden over., maar krijgt wel meer werk in het folk-circuit. Dan krijgt Roy Guest een nieuw idee. Hij huurt de Royal Albert Hall af **, zet er een 35-mans orkest neer plus een beatgroep en plaatst Al Stewart, vers van de "Bunjie's" koffiebar, voorop het podium. "Het was absurd. Ik had nog nooit een concerthal gezien en daar stond ik twee uur lang, met een orkest dat me niet kon volgen. Maar Guest zei dat ik records zou breken en 'n superster zou worden en dat, als we geld op het concert zouden verliezen, we 't terug zouden verdienen met de plaat." De volgende drie jaar zal Al Stewart met de opbrengst van zijn platen de enorme schuld van die gedenkwaardige avond moeten inlossen. Guest is manager af, maar blijft op contractuele gronden zijn producer. Stewart echter gaat door op zijn eigen weg.
**Niet dus - met dank aan A.J. Ceelen. Het was de Festival Hall.

Individualist

Hij speelt avond na avond en bouwt langzamerhand een eigen reputatie op als eigenzinnig folk-rock zanger. Om hem heen bloeit de folk-scene als nooit tevoren. Fairport Convention is al een jaar bij elkaar en loopt voorop in schitterende folk-rock. Harper maakt "Come Out Fighting Gengis Smith", Ralph McTell schrijft "Streets of London", Michael Chapman, John Martyn ... alleen Jansch en Renbourn stellen teleur met het door hen gevormde Pentangle. Begin '69: met hulp van Fairport Convention en Jimmy Page maakt Al Stewart z'n tweede album: "Love Chronicles". Op de hoes staart een gevoelig en poëtisch gezicht naar oneindige vertes. Het is het image van de dromerige romanticus, dat hem nog jarenlang zal achtervolgen. "Love Chronicles", een "cult-album", wordt door het Engelse blad Melody Maker gekozen tot folk-album van het jaar. En van dat folk-stempel zal Stewart voorlopig evenmin afkomen. De muziek op de plaat vormt de eerste duidelijke stap naar een eigen identiteit: de acoustische gitaar van Stewart, omringd door bas, piano, drums en opgevuld met de voorzichtige loopjes van Jimmy Page. (Stewart wordt dan al beschouwd als de eerste echte individualist, die uit de Londense West-End scene is voortgekomen, na de Jensch/Renbourn folk-barok-beweging). De meeste teksten weerspiegelen de middenstandse atmosfeer van Gloucester en Bournemouth ("The Ballad of Mary Foster") en zijn objectiverend en autobiografisch van aard ("Old Compton Street Blues").

Hij is voorzichtig geworden. "Ik ben nog niet klaar om iets waardevols over de wereld te zeggen, die buiten mijn eigen kringetje ligt. "Maar vooral het 18 minuten durende epos "Love Chronicles" legt een wereld aan identificatie-mogelijkheden open. Stewart is verliefd geworden en maakt van deze gevoelssluis gebruik om zijn totale liefdesleven bloot te leggen: "It proved to be less like fucking and more like making love." "Tot dan toe was alles in mijn leven misgegaan. Ik was van school afgetrapt en mijn leven als kind was nogal armoedig. Van mijn tweede school ging ik zelf weg en toen heb ik vier jaar voor droog brood zitten spelen. Ik kan eerlijk zeggen dat in de eerste 19 jaar van mijn leven niets goed ging, terwijl je altijd moet zien te bewijzen dat je een reden tot bestaan hebt. Toen werd ik plotseling verliefd en dat betekende dat iemand om me gaf en vertrouwen in me had. Dus schreef ik "Love Chronicles" en 't sloeg in als een bom. Niemand had zoiets eerder gehoord. Het was een epos over mijn leven en ik wilde ermee zeggen dat het daarvoor alleen maar spelletjes waren en 't nu plotseling allemaal echt geworden was. "Sadly you don't choose the people you fall in love with". Stewart heeft het meeste materiaal voor zijn volgende elpee geschreven als zijn grootste inspiratiebron wegvalt. ZIJ verdwjint uit zijn leven en laat hem ontredderd achter in de studio. "Zero she Flies". Een toepasselijke titel voor een derde plaat, die op het al eerder geschreven "Manuscript" en het instrumentale "Small Fruit Song" na een totale misser is. "Voor het eerst in mijn leven kon muziek me niets meer schelen. Ik maakte de plaat in een complete innerlijke chaos en gooide 'm bijna weg.

Orange

Twee jaar lang kon ik geen letter meer op papier krijgen." Voeg daar een opnieuw abominabele productie van Roy Guest aan toe en de plaat kan beter vergeten worden. Twee jaar later lijkt hij zich weer hesteld te hebben. Met eindelijk een nieuwe roducer (John Anthony) en de hulp van gitarist Tim Renwick en de rest van Quiver, plus Rick Wakeman, Brinsley Schwarz en Bob Andrews, maakt hij "Orange". Het zijn de afronding van oud zeer en het onbeantwoord blijven in een nieuwe liefde, die in de songs doorsijpelen. Een overgangsplaat, variërend van het fraaie "Songs out of Clay" tot het melodramatische "The News from Spain". In "You don't even know me" verwoordt hij zijn groeiende ontevredenheid met betrekking tot Londen en vooral de apatie ten opzichte van zijn muziek: "All right, I told you that I'm leaving London, I've got no place to take my songs." En opmerkelijk is opnieuw een sterke instrumental, "Once an Orange, always an orange", waarin Stewart een sterk ondergewaardeerd gitarist blijkt. "De eerste vier albums waren folky liefdesliedjes platen, gemaakt in een tijd dat ik niet aan platen maken dacht. Ik haatte het om in de studio te zijn en ze werden allemaal erg snel gemaakt."

"Eerste echte plaat"

Al Stewart beschouwt zijn in '74 verschenen vijfde album, "Past, Present and Future", als zijn eerste echte plaat. "P, P & F maakte m'n eerste vier platen onspeelbaar." Hij heeft tekstueel en muzikaal gezien een nieuwe richting gevonden en het resultaat is een goede plaat, die velen als z'n eerste zien. De muziek is voor 't eerst echt pittig en swingend: ambitieuzer maar gevarieerder dan ooit. Naast Tim Renwick en Rick Wakeman spelen nu onder andere Dave Swarbrick, B.J. Cole en zelfs Roger Taylor (Queen) mee en in het geheel zit een sprankeling, die 'n Stewart-plaat daarvoor nooit kende. In zijn teksten wordt voor 't eerst een combinatie gebruikt, die zijn handelsmerk zal worden: de mengeling van geschiedenis en actualiteit, teneinde een lirisch effect te bereiken. Voorbeelden? "Old Admirals" (erg oud-Bowieaans), gebaseerd op het leven van vlootadmiraal Lord Jisher, maar in werkelijkheid een song over het ouder worden en niet meer nodig zijn. Of "Warren Harding", president van de USA van 1920-'23. Met de plaat wilde Stewart een aantal van de balangrijkste historische gebeurtenissen weergeven, "The Last Day of June 1934", over de voorloper van Hitler, Ernst Rhoem. Of "Nostradamus", een r&r song, gebaseerd op het boek dat de 16de eeuwse voorspeller schreef, "The Centuries", waarin hij voorspellingen deed over de oorlog en verdoemenis en de opkomst van dictators als Nopoleon en Hitler.

Hetzelfde pessimisme kruipt omhoog in actuelere en subjectievere songs als "Terminal Eyes" en "Post World War Two Blues" over de zelfmoord van de zestiger jaren. Hierin verwoordt Stewart zijn eigen gevoelens: "Music was the scenery, Jimi Hendrix played loud and free, Sergeant Pepper was real to me, songs and poems were all you needed, which way did the 60's go?" Tot slot "Roads To Moscow" opnieuw een episch werkstuk over de Duitse invasie in Rusland in '41 en tegelijkertijd refererend aan de Russische schrijver Alexander Solzjenitsyn. Al met al betekent het album de logische samenkomst van Stewart's voorgaande ervaringen en interesses. "Past, Present & Future", houdt tevens een breekpunt in zijn carriere in. Via nieuwe manager Luke O'Reilly is de plaat in Amerika uitgebracht en erg gunstig ontvangen. Voor het eerst lijkt Al enig succes te krijgen. "Het grootste radiostation in Seattle had een luisteraars-favorieten-programma en hun top drie van de laatste 10 jaar was: 1. Stairway to Heaven, 2. Layla en 3. Roads to Moscow. Dat opende voor mij de deur naar Amerika!". (Nog steeds vormen "Nostradamus" en vooral "Roads to Moscow", begeleid door een uitgebreide licht- en diashow, de hoogtepunten in een Stewart-concert van vandaag.) Wat begint met een kleine Amerikaanse tournee om aan de nieuwsgierigheid naar die nostalgische Engelsman tegemoet te komen, eindigt met een alsmaar groeiende populariteit.

Amerika

Voor Engeland blijft hij echter de "bedsit-folkie", met als resultaat dat zijn volgende (zesde) album "Modern Times", door zijn thuisland opnieuw volkomen genegeerd wordt. Stewart zelf zit er niet mee: "Vergeleken met de ideeën die ik heb, voel ik dat ik pas een kwart van wat ik denk dat ik kan, heb laten zien. Ik zit nog niet eens in de tweede versnelling." "Modern Times", in '75 uitgebracht, onder de perfecte productie van Alan Parsons, moet die tweede versnelling zijn. Moderne tijden, de minstreel heeft er moeite mee en voelt zich altijd verloren in de eeuw van techniek en frustratie. De hoes symboliseert de tegengestelling: tegen de achtergrond van een romantisch kasteel wordt de moderne tijd (verbeeld door een dandy, die uit zijn sportwagen springt) verblind door het felle licht, dat de kasteelheer (Stewart?) op hem schijnt. Dezelfde confrontatie is terug te vinden in zijn songs over heden en verleden, nu eens puttend uit literaire bron ("Sirens of Titan", naar Kurt Vonnegut), dan weer deinend op een stormachtige gevoelsgolf, compleet met krijsende meeuwen en aanrollende golven ("The Dark and the Rolling Sea"). En natuurlijk de relaties, minder gedesillusioneerd, berustener: "no she's not the one you really want, just a point along the line you're leaving from"- "Not the one"). "Modern Times" is een echte Stewart-plaat, vol intelligente teksten en geraffineerde ondersteuning van onder andere Renwick, Isaac Guillory en Pete Wingfield. Het is de mengeling van romantiek en realiteit, van acoustisch en electrisch, die Stewart's evenwicht bepalen.

Year of the Cat

Het eind 1977 verschenen "Year of the Cat" is uit dit evenwicht naar voren gekomen. Het album bevat op zich weinig nieuws voor de Stewart-adept, maar heeft genoeg reikwijdte om een nieuwe schare volgelingen aan zich te binden. Stewart opereert op zoveel niveaus, dat 't eigenlijk niet meer kan missen. Je kunt vallen op het softe geluid, op de identificatie-mogelijkheden in zijn teksten over leven en liefde, op zijn muzikale verzorgdheid, zijn veelzijdige teksten, zijn zwaarmoedigheid, zijn hang naar het verleden. Het "Cat"-album (opnieuw met klasse door Parsons geproduceerd), is Al's meest overtuigende album tot nu toe. Voor 't eerst een "moderne" art-deco hoes en voor 't eerst een nieuwe platenmij (RCA), als climax in een langdurige wrevel met CBS: "Ze praten met me, iets wat CBS nooit deed. Alles wat ik weet is dat CBS me in een periode van 7 jaar geen enkel interview liet doen." Ferm gesteund door zijn nieuwe platenfirma zwert hij met "Year of the Cat" al maandenlang in de bovenste regionen van de Amerikaanse elpee top honderd. Het materiaal draagt nog steeds de typische Stewart-stempels: verzorgde folk-rock (zelfs George Harrizon speelt mee op "Sand in your shoes") en een erg doordachte lyriek. Vaak weer de kijk van een man die zijn omgeving scherp observeert ("Midas Shadow", "On the Border", "Broadway Hotel", "Year of the Cat") of naar het verleden grijpt ("Lord Grenville"). Korte romannetjes, kleine portretjes of flarden historie. Al Stewart blijft de moderne minstreel, die van kasteel naar kasteel trekt om zijn verhalen te vertellen. Het zijn nu alleen Amerikaanse steden geworden en de toehoorderskring is gegroeid. Maar zijn tijdmachine loopt soepeler dan andere machines in deze tijd.